Onderwijslingo

De onmogelijke spagaat van het onderwijs

Kennis is macht. Door kennis heeft een land handige handwerkers en kritische geesten. Door kennis stijgt de welvaart tot grote hoogte. Door kennis wordt een land opgenomen in de vaart der volkeren. Nederland investeert daarom fors in kennis: ruim tien procent van de totale publieke uitgaven gaat naar het onderwijs. Dat is veel, zeker in vergelijking met andere landen in Europa.

Natuurlijk moet dat geld wel goed besteed worden, en juist daar zit hem de kneep. Een te groot deel van het onderwijsbudget gaat in Nederland namelijk niet naar leraar en leerling, maar naar een gigantisch arsenaal aan onderwijsdeskundigen en onderwijsbestuurders. Tot overmaat van ramp zijn deze onderwijslui ook nog eens zwaar besmet met onderwijslingo, de onderwijsvariant van het vaagtaalvirus.

De oorsprong van deze vaagtaalbesmetting ligt bij de Haagse politiek. Het is de politiek die in ondoorgrondelijke termen vastlegt op welke manier leerlingen moeten leren. Het is de politiek die bepaalt hoeveel procent van de bevolking een diploma in het hoger onderwijs moet halen. Duizenden onderwijskundig medewerkers wringen zich in allerlei taalkundige bochten om dit Haagse Binnenhofbargoens te vertalen naar de dagelijkse praktijk in de klas. Een onmogelijke opgave met monsterlijke woorden als ‘competentie’, ‘kennistransfer’ en ‘zelfreflectiedocument’ tot gevolg.

En de slachtoffers van deze vaagtaal? Dat zijn de leraar en de leerling, de docent en de student, en uiteindelijk wij allemaal.

Woordkitsch

Nog even geduld…

Akelig

Nog even geduld…

Feedback 360

Nog even geduld…

Leo, de leraar en Otto, de onderwijskundig medewerker

Leo is wiskundeleraar. Leo staat al ruim dertig jaar voor de klas. Dat doet hij graag. Jaar na jaar vertelt hij een nieuwe lading brugklassers over de stelling van Pythagoras. Het resultaat mag er zijn, want al snel roepen al zijn leerlingen in koor: a kwadraat plus b kwadraat is c kwadraat. Sinds kort mag Leo niet meer voor de klas staan. Althans, daar komt het op neer in de nieuwe Educatieve Richtlijnen Versie 2.07 die hij van Otto de onderwijskundige heeft gekregen.

Natuurlijk staat het er niet letterlijk. Wat er wel staat, is een indrukwekkend, maar onbegrijpelijk betoog over het ‘leren leren’ versus ‘frontaal onderwijs’. Wat blijkt? Leo heeft al die jaren aan frontaal onderwijs gedaan. Hij stond voor de klas en vertelde zijn leerlingen over algebra en meetkunde. Dat mag niet meer van Otto. Dat is hopeloos ouderwets en fataal voor het leerproces.

Na meerdere decennia onderwijsvernieuwing is formules stampen taboe en is parate kennis een vies woord. Leo moet nu het zelflerend vermogen van leerlingen faciliteren. Leo begrijpt er niks van, ondanks een ellenlange presentatie over kennistransfer en de noodzaak tot het invoeren van excellente good practices in het onderwijs. ‘Hoe doe ik dat, mijn leerlingen faciliteren?’ vraagt Leo de volgende dag aan Otto.

‘Het gaat erom dat je de leerling leert leren,’ antwoordt Otto zonder aarzelen. ‘Je moet de leerling vanaf de zijlijn als een coach begeleiden. Een leerling heeft niets aan een hoofd vol snel verouderende kennis als je alles op internet kunt opzoeken.’ Leo mompelt binnensmonds dat het dan wel handig is als die leerling een paar formules uit zijn hoofd kent. Mismoedig haalt hij zijn schouders op en gaat pontificaal weer frontaal voor de klas staan. Zijn tijd zal het wel duren.

Met throughput meer mans

Al een tijdje is er op Leo’s school een vacature voor een docent aardrijkskunde. De selectieprocedure is uitermate ingewikkeld. Als eerste stelt Otto samen met de Human Resource Manager, ofwel het hoofd personeelszaken, een uitgebreid profiel op van de nieuw aan te stellen medewerker. Otto noemt dat een competentieprofiel. Tot Leo’s verbazing gaat dat competentieprofiel niet over de opleiding en leservaring van de nieuwe docent, maar over input, throughput en output.

Leo doet weer eens een poging en vraagt Otto om een toelichting. Otto legt uit: ‘Kijk, Leo, het is heel simpel. Onze indeling van de competentieprofielen gaat uit van het bedrijfskundige principe dat functies gezien kunnen worden als processen waar je competenties instopt, dat is de input. Vervolgens voeg je daar taken en bevoegdheden aan toe, de throughput. Uiteindelijk levert dit je resultaat op, de output. Appeltje eitje, toch?’

Leo laat zich niet uit het veld slaan: ‘Maar wat zijn dan die input, throughput en output? Waar bestaan die uit? Wat moet die docent nou doen?’

‘Je wílt het gewoon niet snappen,’ bijt Otto hem toe, ‘terwijl het toch zo simpel is. Wij willen in onze organisatie resultaatgericht sturen en passen onze instrumenten daarop aan. Dat betekent dat het competentieprofiel helder moet weergeven op welke manier wij sturing geven aan het beoogde resultaat.’ ‘Maar wat is dan dat resultaat?’ verzucht Leo.

‘Het resultaat is een inspirerende kennismanager die resultaatgericht het vermogen heeft om te inspireren,’ antwoordt Otto met toenemende wrevel in zijn stem. ‘Ik vraag me af wat je hier op school nog te zoeken hebt als je dat nog steeds niet begrijpt.’ Leo heeft er weinig vertrouwen in. Is input-throughput-output niet gewoon een volstrekt onbegrijpelijke manier om te zeggen dat een vakbekwame docent op inspirerende wijze lesgeeft aan zijn leerlingen? Want daar gaat het toch om: jonge mensen nuttige dingen leren zodat ze later hun weg in de maatschappij vinden?

Een uitputtende sollicitatieronde verder is het zo ver. De nieuwe docent gaat aan het werk. Het is een leuke vent die zich vol enthousiasme wijdt aan zijn taak om op rendementsverhogende wijze voor kennistransfer te zorgen. Hij voert dagelijks een 360 gradenfeedback uit en praat urenlang met zijn leerlingen over competentiegericht leren en toekomstgerichte ontwikkelplannen. Toch heeft hij het aan het eind van het jaar wel gezien. Het viel hem een beetje tegen, vertelt hij Leo vlak voor zijn vertrek. ‘Ja kijk, jullie zochten toch een kennismanager? Nou mooi niet!

Ik blijk gewoon een aardrijkskundedocent te zijn die er bij een stel puistenkoppen wat topografie in moet rammen.’

Het gelijkheidsideaal

Waarom gebruikt Otto de onderwijskundige een taal die zo ver van het klaslokaal staat? Waarom heeft hij het over competentiegericht leren, curriculum en good practices? Kortom, waarom praat Otto onderwijslingo?

Otto gebruikt onderwijslingo omdat hij zijn instructies in het Binnenhofbargoens krijgt, de vaagtaal van de politiek. Eerst kreeg Otto vanuit Den Haag de opdracht om het vmbo te introduceren, een schoolsysteem dat kinderen met ernstige leer- en gedragsproblemen zij aan zij laat leren met de normaal lerende kinderen die vroeger op de mavo zaten. Daarna voerde de politiek het ‘nieuwe leren’ in, een methode die ervan uitgaat dat leerlingen van nature willen leren en daarom alleen maar een zogeheten exploratieve leeromgeving nodig hebben. Vervolgens kwam de tweede fase aan bod, een methode waarin bovenbouwleerlingen nóg zelfstandiger leren werken. En als klap op de vuurpijl ontwikkelde de politiek ook nog studiehuizen, waarin leerlingen leren omgaan met informatie en waarin docenten slechts een gidsfunctie hebben.

Met dit nieuwe systeem hebben alle leerlingen gelijke kansen, aldus de politieke ideologie. In werkelijkheid was het natuurlijk niets meer of minder dan een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Een leerling die zelfstandig zijn weg zoekt in het studiehuis kost nu eenmaal minder geld dan een leerling die bij elke tafel van vermenigvuldiging hulp nodig heeft.

Otto ontdekte al snel dat hij een onmogelijke opgave had gekregen. Natuurlijk vond hij het een nobel streven om alle leerlingen gelijke kansen te bieden, maar hij wist ook dat de echte wereld zo niet in elkaar zit. De ene leerling is nu eenmaal begaafd, terwijl de andere leerling moeite heeft met leren. De ene leerling heeft ouders die hem geduldig met zijn huiswerk helpen, terwijl de andere leerling na schooltijd op straat rondhangt. De ene leerling is gedisciplineerd, terwijl de andere leerling een stevige stok achter de deur nodig heeft. De ene leerling haalt zijn diploma daarom toch wel, terwijl de andere leerling zonder de juiste begeleiding vroegtijdig van school gaat.

Maar ach, je bijt niet in de hand die je voedt. En dus verstopte Otto het onzinnige politieke ideaal van gelijkheid in onnavolgbare kreten als ‘rendementsverhogend vaardighedenonderwijs’, ‘projectleren met praktijkmomenten’ en de benodigde efficiencyslag voor ‘excellente knowlegdetransfer’. En het erge is: geleidelijk aan ging hij zelf ook in deze woorden geloven. Met onderwijslingo kreeg hij het gevoel een onmisbare deskundige te zijn. Met onderwijslingo kreeg hij macht, veel macht. Want kennis is macht.

<span>%d</span> bloggers liken dit: