Ambtenaritis

Er wordt te veel geworden

De ambtenaar is het doorgeefluik tussen overheid en burger. Als de politiek nieuwe maatregelen bedenkt om het terrorisme te bestrijden, dan is het een ambtenaar die je beboet omdat je geen paspoort bij je hebt. Als je geen inkomen hebt en je kinderen bijna omkomen van de honger, dan is het een ambtenaar die bekijkt of je voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt.

Voor zo’n verantwoordelijke functie is begrijpelijke taal een eerste vereiste. Toch staat de ambtenaar niet bekend om zijn duidelijke woordkeuze en heldere informatievoorziening. Integendeel. Burgers klagen steen en been over onnodig formeel geformuleerde overheidsvoorlichting, draken van overheidsbrieven en oubollige bejegeningen aan het gemeenteloket. Een kwalijke zaak, want onbegrijpelijke informatie kan nare gevolgen hebben. Te laat reageren op een verzoek van de belastingdienst? Boete! Niet begrijpen dat er twee huizen verder een discotheek gebouwd gaat worden? Jammer, de tijd om bezwaar in te dienen is al drie dagen voorbij.

De taal van de ambtenaar vloeit direct voort uit het Binnenhofbargoens van politici en de beleidsbabbels van beleidsmakers. Eerst leggen politici de koers vast in wollig Binnenhofbargoens. Vervolgens bepalen tal van beleidsmakers hoe deze koers er in de praktijk uit gaat zien. Pas daarna komt de ambtenaar in beeld. Aan hem de taak om deze wollig geformuleerde overheidsintenties aan het volk kenbaar te maken.

Passivitis

Nog even geduld…

Formalisme

Nog even geduld…

Oubolligheid

Nog even geduld…

Anton, de ambtenaar

Laten we eens een kijkje op het gemeentehuis nemen. Daar zit aan het einde van de gang op de tweede verdieping Anton de ambtenaar. We blazen wat stof van de deurklink en gaan naar binnen. Anton zit al ruim vijfendertig jaar achter dat bureau op zijn zorgvuldig gekweekte zitvlees. Langzaam maar gestaag doet hij zijn werk. Ooit maakte hij de overstap van typemachine naar computer, maar van harte ging dat niet. Veranderen is aan Anton niet besteed.

Aan het begin van zijn carrière dacht Anton daar heel anders over. Hij had toen grootse plannen om als dienaar van het volk op te treden. Al die ondoorgrondelijke taal van de overheid, al die onleesbare wetteksten: hij zou de kloof tussen burger en politiek wel eens eventjes overbruggen. Dat was zijn grote droom. Wat was hij toch naïef, onze Anton.

In de tijd dat Anton als ambtenaar begon, ging de gemeente de strijd aan met het ongezonde eetgedrag van scholieren. Anton zag zijn kans schoon om de burgers in duidelijke taal te informeren over het nieuwe beleid. In plaats van een brief te schrijven vol verwijzingen naar juridische teksten, koos hij een flitsende folder met op de voorkant de slogan: ‘Snoep kopen? Hier niet!’ Ook in de rest van de folder was hij angstaanjagend duidelijk. Klip en klaar schreef hij dat schoolkantines geen snoep meer mochten verkopen.

Nou, dat heeft Anton geweten. De hele stad stond op zijn kop. Scholieren demonstreerden voor het gemeentehuis, kantinemedewerkers staakten massaal en schooldirecteuren klaagden over illegale snoephandel op het schoolplein. Maar – en dat stak Anton nog het meest – ook de gemeenteraad stond niet achter hem. ‘Hoe kom je daar nou bij?’ vroeg een woedende wethouder. ‘Zo strikt hebben wij dit hele snoepgedoe nooit bedoeld!’

Anton bekeek de beleidsvoorbereidende nota Richtlijnen consumptiepatroon scholieren nog eens goed. Pas toen viel hem op hoe voorzichtig die was opgesteld. Zo stond er dat ‘er op scholen zodanige maatregelen dienen te worden genomen dat de schadelijke gevolgen van het consumeren van suikerhoudende substanties onder scholieren substantieel verminderd worden’. Tja, wat moet een school nu precies doen of laten? Met zo’n tekst kan het beleid nog alle kanten op. Na tal van demonstraties draaide de gemeenteraad de hele antisnoepcampagne dan ook terug. De burgemeester trok het boetekleed aan: ‘Het is allemaal één groot misverstand, zo ver zou de gemeente uiteraard nooit gaan.’ De antisnoepcampagne stierf een zoete dood. En die naïeve Anton? Die kreeg een forse reprimande en had zijn onschuld verloren.

Naar de letter van de wet

Direct na zijn blunder werd Anton aan de hand genomen door een oudere, ervaren ambtenaar. ‘Anton,’ zei hij, ‘als gemeenteambtenaar sta je boven het volk. Als gemeenteambtenaar ben je een machtig man. Jij bepaalt of een nederige huiseigenaar een dakkapel mag laten bouwen. Jij bepaalt of een asociaal gezin financiële hulp krijgt. Jij bepaalt of een supermarkt mag uitbreiden met een tweede vestiging. Jij hebt de macht en dat brengt verantwoordelijkheid mee. Gedraag je daar dan ook naar.’

In de loop van de jaren leerde Anton zijn plek kennen. Als machtig man wilde hij zich natuurlijk niet verlagen tot de taal van het plebs en dus maakte hij zichzelf tal van archaïsche zinsconstructies eigen. Iedereen kent ze wel: brieven waarin staat dat hondeneigenaren er zorg voor dienen te dragen dat hun viervoeter zich te allen tijde in aangelijnde toestand bevindt. Of aankondigingen over de gemeentegrens die in dier voege gewijzigd is dat hij anders komt te lopen. Met zulke taal kon Anton respect afdwingen bij het volk, die onwetende onderbuik van de maatschappij.

Al gauw merkte Anton dat hij zich met ambtelijke taal ook feilloos kon indekken. Dat was wel zo handig, want in zijn beroep leidt één verkeerd woord tot ettelijke bezwaarschriften en jarenlang durende klachtenprocedures. Door vast te houden aan de letter van de wet wist Anton al die ellende te voorkomen. Het deed hem niks dat burgers volledig het spoor kwijtraakten in die wirwar van passief geformuleerde zinnen en formele, oubollige woorden.

Ambtelijk schrijven is ook een kunst

Hoe doet Anton dat toch? Hoe kiest Anton keer op keer die uiterst herkenbare, duizelingwekkend onbegrijpelijke woorden? Op het eerste gezicht lijkt Anton een ware taalartiest, maar wie goed oplet, heeft zijn twee simpele taaltrucs al snel in het snotje: passivitis en formalisme (meer hierover volgt snel).

<span>%d</span> bloggers liken dit: