Tagarchief: cohen

Verkiezingsdebatonlinerfestijn

De verkiezingsstrijd is verworden tot een potje elkaar vliegen afvangen met overduidelijk vooraf ingestudeerde oneliners. Het lijkt wel een reclamecampagne voor de nieuwe Mark, Job of Geert.

Een kleine greep uit de spitsvondigheden van het legertje tekstschrijvers dat zich achter de schermen van de politiek verkneukelt om de eigen scherpzinnigheid:

Halsema

  • geen verleden, maar toekomst

Wilders

  • staat pal voor Nederland
  • massa-immigratie (komt in elke van hem voor)

Pechtold

  • belooft Rutte hulp van zijn grote zus uit Brussel als het lastig wordt

Rutte

  • Bosbelasting
  • vindt Balkenende een “verkoper die met politieke woekerpolissen langs de deur gaat”

Roemer (gaat helemaal los):

  • geen maakpunten, maar breekpunten
  • Robin Hood op z’n kop (beschuldigt Rutte van stelen van de armen en geven aan de rijken)
  • het lijkt wel een wedstrijdje verplassen
  • u bent allang in ondertrouw (tegen Rutte en Balkenende)
  • ik ben nu acht weken bezig. U kunt mij van alles verwijten, maar niet dat ik te vroeg heb gepiekt

En, last but not least Balkenende

    1. u kijkt zo lief (er zijn nu zelfs t-shirts te koop met die tekst)

Een straatje eufemismen

Wie de harde waarheid wil verzachten, kan altijd terecht bij een van de vele eufemismen die de Nederlandse taal rijk is. Denk bijvoorbeeld aan die goede oude poetsvrouw. Hoe pijnlijk vinden we het dat een dorpsgenoot op haar knieën onze wc-pot boent! In het progressieve Nederland riekt dat veel te veel naar een klassenmaatschappij van gegoede burgerij en proletariaat. Vandaar dat onze spil in het huishouden (ook een eufemisme!) eerst ‘hulp’ of ‘werkster’ is gaan heten, maar inmiddels als interieurverzorgster een kleverige dot haren uit het doucheputje verwijdert.

Vroeg of laat verliest ieder eufemisme zijn kracht. Dan weet iedereen dondersgoed dat een kansjongere eigenlijk hetzelfde is als de jeugdige crimineel van weleer. En bij die Rotterdamse prachtwijk Spangen denkt iedereen gewoon weer aan een vervallen buurt waar geen verstandig mens zich ’s avonds laat nog durft te vertonen. Weliswaar houdt het ene eufemisme het langer vol dan het andere, maar vroeg of laat beseft iedereen echt wel welke ellende er achter een woord schuilgaat.

Eufemismen zijn erg geliefd onder beleidsmakers. Denk bijvoorbeeld aan de vele Marokkanen die in de jaren zestig en zeventig naar Nederland kwamen om hier slecht betaald en vies werk te doen. Ze waren dringend nodig, maar werden door velen gezien als onbetrouwbaar volk dat zo snel mogelijk weer terug naar Marokko moest. Door deze groep Marokkanen officieel als gastarbeiders aan te duiden, kon de overheid nog een tijdje de schijn ophouden van een land dat gastvrij zijn gasten ontvangt. En gasten zijn altijd tijdelijk.

Inmiddels weet iedereen hoe het de gastarbeiders is vergaan. Een groot deel keerde niet terug, maar vestigde zich permanent in Nederland. Langzaam werden het immigranten, een woord dat ook al snel een negatieve bijklank kreeg. De ‘medelander’ kwam en ging, net als de Nederlander van Marokkaanse afkomst en de persoon met minstens één in het buitenland geboren ouder.

En nu? De laatste jaren slaan steeds meer mensen door naar de andere kant. Het eufemisme van gastarbeider, medelander, allochtoon of Nederlander van Marokkaanse afkomst is plaats gaan maken voor het pejoratief kut-Marokkaan, een woord dat weinig aan de verbeelding overlaat. Toch is ook dit woord minstens net zo dubieus als zijn voorgangers, want het zet in een klap een hele bevolkingsgroep in een kwaad daglicht.

Gelukkig biedt taal hier ook uitkomst. Als het dan toch kut-Marokkanen zijn, dan zijn het volgens de Amsterdamse burgemeester Cohen wel ónze kut-Marokkanen. En zo is Nederland toch weer een gastvrij land.