Taalkundige misleiding – vaagtaal wel gevaarlijk!

In het blog van NRCNext staat "Vaagtaal is juist nodig". Lees hieronder waarom dat onzin is.

Hoe vaagtaal gedijt in Nederland

Arjen Ligtvoet & Cathelijne de Busser

Duurzaamheid, leefbaarheid, doorcommuniceren en proactief. Met dit soort taal houdt zelfs een nietszeggende spreker een indrukwekkend betoog. Maar wat betekenen deze woorden eigenlijk? Alles en niets, want het is vaagtaal: woorden en uitdrukkingen die onduidelijk, dubbelzinnig, misleidend, overbodig of storend zijn. Vaagtaal is een LOA, een door Lezen en luisteren Overdraagbare Aandoening. Een akelige aandoening met nare gevolgen, bijvoorbeeld als een oorlog wordt omgetoverd in vredelievende opbouwwerkzaamheden.

Vroeger was er geen grotere eer dan als soldaat te sterven voor het vaderland. Tegenwoordig is daar nauwelijks nog iemand voor te porren. Voor de Nederlandse deelname aan de oorlog in Afghanistan was aanvankelijk dan ook weinig maatschappelijke steun. Het woord ‘oorlog’ riep te veel het beeld op van uiteengereten ingewanden, uitgesmeerd over een stoffig marktplein na een precisiebombardement. Oorlog was niet te verkopen aan de Nederlandse burger, en politiek dus niet haalbaar.

Ondanks hevige protesten vocht Nederland toch jaren in Afghanistan. Taal – vaagtaal – bleek hét middel om critici de mond te snoeren en Nederland de strijdbijl te laten opgraven. Van 2010 tot august 2010 hebben ‘onze jongens’ daarom robuuste opbouwwerkzaamheden uitgevoerd. Opbouwwerkzaamheden, met dit zorgvuldig gekozen woord heeft de regering de emotionele lading van oorlog buitenspel gezet en het maatschappelijk denken gemanipuleerd, want in werkelijkheid is er natuurlijk geen verschil tussen opbouwwerkzaamheden en een oorlog. Ook tijdens opbouwwerk-zaamheden sterven     Nederlandse soldaten door bermbommen en schieten kameraden elkaar per ongeluk dood in een uitwisseling van vriendelijk klinkend maar levensgevaarlijk ‘friendly fire’. Zoals dat gaat in elke oorlog.

Een simpele woordtruc heeft de oorlog in Afghanistan veranderd in een taalkundige idylle waar je onmogelijk tegen kunt zijn. Vaagtaal heet dat. Vaagtaal is taal die verleidt, misleidt, verwart en ook nog eens irritatie oproept. En dat zeker niet alleen in de discussie over Afghanistan. Vaagtaal komt overal voor en heeft vele varianten. Zo lijden ambtenaren aan oubollige ambtenaritis, leggen beleidsmakers met beleidsbabbels een zachte wollen deken over snoeiharde maatregelen en spreken managers een semi-Engelse vorm van vaagtaal die managementspeak heet.

Vaagtaal is een LOA, een door Lezen en luisteren Overdraagbare Aandoening. Hoe vaker je het hoort, hoe meer je het zelf gebruikt en hoe normaler je het vindt als anderen het ook gebruiken. Niemand kijkt op als de inmiddels demissionaire minister Klink het heeft over vraaggestuurde zorg en maatstafconcurrentie. Of als de manager van de lagere school trots vertelt over zijn zelfsturende team van co-makers dat de leerling als coach vanaf de zijlijn begeleidt. Of als er in een brief van de gemeente staat dat ‘hondeneigenaren er te allen tijden zorg voor dienen te dragen dat hun viervoeter zich in aangelijnde toestand bevindt’.

De kracht en tegelijkertijd het gevaar van vaagtaal is dat we allemaal besmet zijn. Het vaagtaalvirus gedijt namelijk uiterst goed in een samenleving waar informatie centraal staat. Eén exemplaar van de Quest bevat waarschijnlijk al meer informatie dan de zeventiende-eeuwse wetenschapper Francis Bacon in zijn hele leven heeft vergaard. Helaas betekent dat niet dat we allemaal net zulke genieën zijn. Integendeel, om onze onkunde te verbergen gebruiken we nietszeggende taal waarmee we alle kanten uit kunnen. Voorzichtig, verhullend, abstract en voor velerlei uitleg vatbaar. Vaagtaal.

Vroeger werkten we in de fabriek, op het land of in het huishouden. Tegenwoordig verdienen we ons brood met het vergaren en uitwisselen van informatie, en dat doen we de hele dag. We luisteren naar de radio, kijken televisie, zoeken informatie op internet, sturen elkaar een e-mail, geven het laatste nieuws door via twitter en sms’en de sappigste roddels de wereld in. We staan voortdurend met elkaar in contact. Dag in, dag uit. Juist daarom zijn we uitermate gevoelig voor het vaagtaalvirus.

Toen de voormalig minister van Financiën, Wouter Bos, op het journaal zei dat hij linksom of rechtsom een oplossing zou vinden voor de gedupeerden van de failliete bank Icesave, was het effect de volgende dag meteen merkbaar. De directeur van een basisschool verklaarde aan bezorgde ouders dat hij linksom of rechtsom een vervanger zou vinden voor de zieke leerkracht van groep 7. De psycholoog liet zijn patiënt weten dat hij linksom of rechtsom wel over zijn depressie heen zou komen. De poelier meldde zijn klant dat hij linksom of rechtsom wel aan een pond leeuwerikenpastei kon komen. In één dag tijd werden alle problemen linksom of rechtsom opgelost. Dat klinkt mooi, maar maakt niemand wijzer.

Zo besmettelijk is vaagtaal. Vervelend, want vaagtaal kan grote gevolgen hebben. Denk maar aan de huiseigenaar die afziet van een serre, simpelweg omdat hij geen chocola kan maken van de wirwar aan regels waaraan hij moet voldoen. Als minister noemde Alexander Pechtold de taal van zijn ambtenaren mismoedig een buitenlandse taal. En terecht, het is een taal die je jezelf eigen moet maken voordat je enig idee hebt waar het over gaat. Dat niet iedereen die taal kan of wil leren, zal duidelijk zijn. Zo tekenen bewoners van een ‘kanswijk’ geen bezwaar aan tegen de aangekondigde ‘maatregelen in het kader van de leefbaarheid’. Drie weken later worden alle bushokjes verwijderd en dan pas dringt het besef door dat de maatregelen bedoeld waren om kansjongeren hun hangplek, de bushokjes, te ontnemen. De bewoners wachten voortaan in de regen op hun bus, een wel heel triest gevolg van de beruchte kloof tussen burger en overheid.

Uit de mond van politici is vaagtaal extra gevaarlijk. Als zij hun bedoelingen verstoppen achter een muur van vaagtaal bedreigt dat regelrecht de democratie. Een democratie kan alleen goed functioneren als kiezers een weloverwogen keuze kunnen maken, als de kiezer weet wat er speelt en begrijpt waar het debat over gaat. Door onbegrijpelijk sprekende politici verliezen kiezers het vertrouwen in de politiek en haken ze af. Oud-politicus Frits Bolkestein noemt de taal van de politiek zelfs ‘Binnenhofbargoens’, een boeventaaltje, want ‘wie taal effectief gebruikt, kan anderen flink beduvelen.´

Boeventaal? Hoe moet je het anders noemen? Een flink aantal politieke maatregelen van de afgelopen jaren is verpakt in een fleurig jasje van misleidende en dubbelzinnige woorden. Met vaagtaal wist de politiek de burger af te leiden van de werkelijke politieke maatregelen. Denk aan de roemruchte ‘marktwerking’. Dit woord is de afgelopen jaren tot glorieus doel verheven. Immers, met marktwerking kun je méér doen met mínder geld, en dat wil toch iedereen?

Marktwerking moest de Nederlandse Spoorwegen ‘rendabel’ maken. Met begrippen als concurrentie, resultaatverantwoordelijkheid en winstgevendheid zou er een enorme efficiencyslag plaatsvinden. Toch rijden de treinen geen seconde beter op tijd. Oud-adviseur en thrillerauteur Charles den Tex zegt hierover: ‘een goed spoornet is niet rendabel te krijgen. Het begrip “winst” bij de spoorwegen is beeldspraak. Geen wonder dat het spoorbeleid mislukt. Bij het eerste herfstblaadje of vlokje sneeuw stort het hele spoornet als een kaartenhuis ineen. We hebben het als makke schapen geaccepteerd. Marktwerking, het moet dus wel goed zijn ’.

Ook in de zorg stond marktwerking de afgelopen jaren bovenaan de agenda. Marktwerking maakte van de gezondheidszorg een care industry die streeft naar ‘efficiënt georganiseerde zorgprogramma’s en optimale samenwerking tussen alle schakels in het zorgproces’. De patiënt, op zijn beurt, is nu een mondige zorgconsument die compleet met persoonlijke zorgindicatie en een rugzakje vol zorgbudget op pad gaat als Alice in zorgland.

 We zijn er allemaal ingetrapt. Marktwerking is gewoon een ander woord voor bezuinigingen. Dankzij dit misleidende woord is ons sociale systeem rigoureus afgebouwd. Stel dat de regering had gezegd: ‘We gaan drastisch bezuinigen op de zorg en het onderwijs. We schroeven onze publieke diensten terug en bouwen onze verzorgingsstaat af.’ Hoe had de burger dan gereageerd? Met opstand en barricades! Niemand gaf een krimp, met schrijnende gevolgen: lange wachttijden in de zorg en een sterke achteruitgang van het openbaar vervoer. Dankzij marktwerking, dankzij vaagtaal.

Niet alleen het openbaar vervoer en de zorg zijn slachtoffer van vaagtaal. Ook de onderwijshervormingen van de afgelopen decennia zijn verpakt in bedrieglijke taal. Eerst voerde de politiek het ‘nieuwe leren’ in, een methode die ervan uitgaat dat leerlingen van nature willen leren en daarvoor slechts een zogeheten ‘exploratieve leeromgeving’ nodig hebben. Vervolgens kwam de tweede fase, een methode waarin bovenbouwleerlingen nóg zelfstandiger leren werken. Als klap op de vuurpijl kwam er het studiehuis, waarin leerlingen leren omgaan met informatie en waarin docenten slechts optreden als gids of leercoach.

Volgens dit nieuwe systeem hadden alle leerlingen gelijke kansen, en zo moest het ook volgens de toen heersende gelijkheidsgedachte. In werkelijkheid was het een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Een leerling die zelfstandig zijn weg zoekt in het studiehuis kost nu eenmaal minder geld dan een leerling die bij elke tafel van vermenigvuldiging hulp nodig heeft. Een geniale vondst in dit kader is het woord ‘frontaal onderwijs’. Vóór de onderwijsvernieuwingen stond een leraar voor de klas en vertelde hij zijn leerlingen over algebra en meetkunde. Niks mis mee? Wel als je dit aanmerkt als ‘frontaal onderwijs’. Frontaal onderwijs, dat klinkt als een aanval op onschuldige, weerloze leerlingen. Vanuit dat oogpunt lijkt het bijna terecht dat niemand zich meer aan een dergelijke vorm van onderwijs bezondigt. Door er het label ‘frontaal onderwijs’ op te plakken is deze intensieve, en dus dure vorm van onderwijs, verdacht en niet meer van deze tijd.

De politieke taal van de onderwijsvernieuwingen laat goed zien hoe besmettelijk vaagtaal is. Immers, om de onderwijsvernieuwingen te vertalen naar de dagelijkse praktijk in de klas hebben duizenden onderwijskundig medewerkers zich in allerlei taalkundige bochten moeten wringen. Dat bleek een bijna onmogelijke opgave die alleen kon worden opgelost met woorden als ‘competentie’, ‘persoonlijk ontwikkelplan’ en ‘kennistransfer’. Het onderwijsbeleid hangt dan ook aan elkaar met dit soort gemeenplaatsen en open deuren. Zo deinst het meerjarenplan van een universiteit er niet voor terug om te vermelden dat de docent een ‘cruciale factor’ in het onderwijs is. Op vergelijkbare wijze meldt een Rotterdamse school voor beroepsonderwijs vol trots dat de school ‘leerlinggericht’ is. Een simpele negatietest laat zien hoe belachelijk deze uitspraak is: een school die zich niet op leerlingen richt, krijgt gegarandeerd de onderwijsinspectie op z’n dak.

Ook in het bedrijfsleven floreert vaagtaal volop. Zo noemt niemand zichzelf nog leidinggevende. Nee, manager is het minste wat je moet zijn. De dynamische manager put veel inspiratie uit zijn managementspeaktoolbox. Daarmee transformeert hij de alledaagse werkelijkheid tot ingewikkelde structuren, processen, targets en strategieën. Ook een secretaresse is ver te zoeken. Wie naïef naar haar informeert, wordt ofwel niet begrijpend aangestaard, of hardop uitgelachen. Secretaresse, het woord alleen al is zó twintigste-eeuws. De secretaresse van toen is tegenwoordig een heuse management supporter. De functie is precies hetzelfde, maar de naam riekt naar management, en dan is het goed.

Met dit soort taal ontstaat een schier onoverbrugbare kloof tussen hen die de taal wel begrijpen en hen die dat niet doen. Menig nieuwkomer in het bedrijfsleven waart daarom de eerste maanden verloren rond als een vreemdeling in een exotisch land. Obscure afkortingen en een overdaad aan schreeuwerig Amerikaanse termen maken zelfs van de meest getalenteerde kandidaat aanvankelijk een nul. Pas als hij termen als KPI, SLA en SWOT moeiteloos beheerst, is hij goed op weg om volledig lid van de bedrijfsgemeenschap te worden. En ja, als alle medewerkers vaagtaal gebruiken, dan is het logisch dat bedrijven ook nieuwe medewerkers werven met vaagtaal. Welk bedrijf is er niet op zoek naar een proactieve, dynamische en flexibele kandidaat zonder negen-tot-vijf mentaliteit? Kennelijk vraagt niemand zich af wat die termen eigenlijk betekenen. Zo kan het gebeuren dat een personeelsfunctionaris met een stalen gezicht vertelt op zoek te zijn naar een zelfstandige teamplayer.

Hoe bizar dit soort taal bij nadere beschouwing ook is, het weerhoudt ons er niet van het zelf ook te gebruiken. Sterker nog: wie geen vaagtaal gebruikt, doet zichzelf tekort. Met vaagtaal kun je je motieven geheim houden, anderen op het verkeerde been zetten, je eigen onkunde verbergen of jezelf interessanter voordoen dan je bent. Niet voor niets is het zo besmettelijk: vaagtaal is uiterst lucratief. Een duidelijke uitspraak, daar word je op afgerekend. Wil je kritiek vermijden? Hou het dan vaag en verwijs vooral niet naar de tastbare werkelijkheid. Ook is vaagtaal uiterst handig om anderen de schuld in de schoenen te schuiven: toen de onderwijsvernieuwingen niet het gewenste effect bleken te hebben, beschuldigde enkele politici onderwijsinstellingen ervan ‘beleidsresistent’ te zijn. Beleidsresistentie, met dit zorgvuldig gekozen woord krijgen de juffen en meesters de schuld van het falende onderwijsbeleid. Als zij, de ‘ontvangers’ van het beleid, nu een beetje hadden meegewerkt…

Is een vaagtaal-epidemie dan onafwendbaar? Is het al te laat? Gelukkig niet, maar om je te wapenen tegen vaagtaal moet je stevig in je schoenen staan. Het is niet makkelijk om onnodig ingewikkelde formuleringen of verhullende taal door te prikken. Als ‘ontvanger’ van vaagtaal is het zaak om altijd op je hoede te zijn en je voortdurend af te vragen wat iemand nu écht beweert. Durf duidelijke taal te vragen. Nee, beter nog: eis duidelijke taal!

Een lastig probleem bij het gevecht tegen vaagtaal is dat vaagtaal muteert. Denk bijvoorbeeld aan Jan, de goede oude dorpsgek. Vroeger was Jan debiel. Later veranderde Jan in een geestelijk gehandicapte die in een gekkenhuis woonde. Vervolgens werd Jan een andersvalide in een inrichting. Daarna had Jan ineens een leeruitdaging en woonde hij beschermd in de zorgintensieve woonsituatie van een woonzorgzone. Sinds kort vinden hulpverleners zelfs dat te zorgelijk klinken en daarom woont Jan nu in een woonservicegebied. En toch is Jan, als we eerlijk zijn, gewoon gek.

Zodra vaagtaal inboet aan kracht, komt er nieuwe vaagtaal voor in de plaats. Dat geldt ook voor het woord marktwerking: na jaren van marktwerking weten steeds meer mensen welke boodschap zich achter dit woord schuilhoudt. Om toch te kunnen bezuinigen, hebben politici nu een nieuw woord bedacht: de heroverweging. Heroverwegingen zullen het begrotingstekort terugdringen en de overheidsfinanciën verbeteren. Een heroverweging, wie kan daar nu tegen zijn?

Ook de opbouwwerkzaamheden in Afghanistan zijn een zachte dood gestorven. Zo gaat dat nu eenmaal met eufemismen. Tijd voor een nieuw woord. Via een ‘verplichtingenpauze’ en een ‘vertraagde terugtrekking’, lijkt het nu alsof we definitief vertrokken zijn uit Afghanistan: “Met het hijsen van de ISAF-vlag kwam een einde aan de missie in Uruzgan”. Of toch niet? Nee hoor, we blijven militaire ondersteuning geven aan de ISAF-missie. Militaire ondersteuning? Dat klinkt heel wat martialer dan opbouwwerkzaamheden. Voeren we dan nog steeds oorlog in Afghanistan?

Een gedachte over “Taalkundige misleiding – vaagtaal wel gevaarlijk!

  1. Dirk Vander Beken

    Via ‘De Standaard’ ontdekte ik zonet jullie site. Zelf vecht ik graag mee tegen vaagtaal. In Vlaanderen zijn op dit ogenblik bijvoorbeeld de volgende uitdrukkingen ergerlijk erg in de mode: inzetten op, de stekker uittrekken …
    Ik heb wel enkele punten van kritiek:
    – Op een site tegen vaag taalgebruik vind ik het slordig te spreken van ‘het blog’. Volgens de Woordenlijst (zie http://woordenlijst.org/zoek/?q=blog&w=w) is blog een mannelijk zelfstandig naamwoord en dus een de-woord: de blog.
    – Julie gebruiken zelf ‘Speak your mind’, ‘Post comment’, ‘Tagged met’ op de site. Graag Nederlands!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>